Zo doe je dat

  1. Controleer het doel

    Zoek in Overzicht het doel en maak handeling, inhoud en niveau zo concreet mogelijk.

  2. Koppel cluster

    Verbind in Ontwerp het doel met de onderwijseenheid waarin studenten eraan werken.

  3. Ontwerp oefening en bewijs

    Plan activiteiten, feedback en een passende bewijsvorm. Zorg dat studenten feedback vóór een beslismoment kunnen gebruiken.

  4. Leg de toets vast

    Maak in Plan of Toetsplan de toets, selecteer de bedoelde doelen en beschrijf observeerbare criteria. Laat je de doelkeuze leeg, dan telt de dekkingsmatrix alle aan het onderdeel gekoppelde doelen mee. Controleer of dat inhoudelijk klopt.

    Bekijk het scherm
    Het veld Beoordelingscriteria met daaronder de gekoppelde leeruitkomsten en leerdoelen van de toets.
    Het veld Beoordelingscriteria met daaronder de gekoppelde leeruitkomsten en leerdoelen van de toets.
  5. Controleer de relatie

    Bekijk Toetsplan en de Dekkingsmatrix. Onderzoek lege of overvolle plekken inhoudelijk met het team.

Begin bij zichtbaar leren

Formuleer wat studenten moeten laten zien en onder welke omstandigheden. Bedenk vervolgens welk bewijs daarbij past. Pas daarna kies je een toetsvorm. Zo voorkom je dat een vertrouwde vorm onbedoeld het doel bepaalt.

CP toont de ontwerpketen

Overzicht bevat de doelen, Ontwerp koppelt ze aan clusters en Plan werkt onderwijs en toetsing uit. Toetsplan en Analyse tonen wat is vastgelegd. Ze bewijzen niet dat studenten een doel beheersen.