Zo doe je dat

  1. Noem de kwaliteit

    Schrijf op welk inhoudelijk verschil je wilt herkennen tussen beginnend, voldoende en sterk werk.

  2. Maak het observeerbaar

    Vervang woorden als ‘begrijpt’ door wat de student uitlegt, vergelijkt, ontwerpt, uitvoert of verantwoordt.

  3. Controleer de opdracht

    Ga na of ieder criterium daadwerkelijk in het gevraagde product, handelen of gesprek zichtbaar kan worden.

  4. Leg het vast

    Open de toets en zet de criteria in het daarvoor ingestelde omschrijvingsveld. Koppel daarna de passende doelen.

Van doel naar bewijs

Een criterium maakt zichtbaar waaraan je kwaliteit herkent. Gebruik een observeerbare handeling, relevante inhoud en het bedoelde niveau. Controleer of de opdracht studenten werkelijk de kans geeft dit te laten zien.

Pas scherpte aan de beslissing aan

Een klein oefenmoment kan met enkele gerichte succescriteria werken. Voor een zwaarwegende beslissing is rijker, passend en voldoende bewijs nodig. Een lange criterialijst maakt een zwakke bewijsvorm niet vanzelf sterker.