Zo doe je dat
Open Kenmerken
Selecteer alleen de locatie en kies Beheer, Kenmerken.
Resultaat: Je ziet de standaard- en aangepaste kenmerken.
Vul waarden in
Voeg de keuzemogelijkheden toe die ontwerpers eenduidig kunnen gebruiken. Houd waarden kort en onderling onderscheidend.
Resultaat: Het kenmerk biedt een bruikbare vaste keuzelijst.
Controleer bij een leerdoel
Open Overzicht en bewerk een leerdoel. Kies de passende kenmerken en sla op. Zet vervolgens via Weergave → Leerdoelen → Kenmerken de labels aan, of gebruik Filteren om doelen met een bepaald kenmerk te bekijken.
Resultaat: De gekozen waarde is opgeslagen en terug te vinden.
Kenmerken zijn locatiestandaarden
Een beheerder bepaalt op locatieniveau welke kenmerken beschikbaar zijn. Elk kenmerk heeft keuzemogelijkheden. Ontwerpers koppelen die waarden daarna aan leerdoelen; actieve kenmerken kunnen ook als filter terugkomen.
Kenmerken zichtbaar maken in Overzicht
Open Overzicht van een curriculum en kies Weergave. Zet bij leerdoelen de optie Kenmerken aan. De ingestelde kenmerken verschijnen als labels bij de doelen. Dit verandert alleen de weergave; kenmerken voeg je toe of wijzig je via het doel zelf. Deze weergaveoptie staat niet in een geopende leerlijn.

