Zo doe je dat

  1. Open Kenmerken

    Selecteer alleen de locatie en kies Beheer, Kenmerken.

    Resultaat: Je ziet de standaard- en aangepaste kenmerken.

  2. Activeer of maak

    Schakel een bestaand kenmerk in, of voeg een eigen kenmerk met een duidelijke naam toe.

    Resultaat: Het kenmerk staat actief in de beheerlijst.

  3. Vul waarden in

    Voeg de keuzemogelijkheden toe die ontwerpers eenduidig kunnen gebruiken. Houd waarden kort en onderling onderscheidend.

    Resultaat: Het kenmerk biedt een bruikbare vaste keuzelijst.

  4. Controleer bij een leerdoel

    Open Overzicht en bewerk een leerdoel. Kies een waarde en controleer daarna relevante filters of analyses.

    Resultaat: De gekozen waarde is opgeslagen en terug te vinden.

Kenmerken zijn locatiestandaarden

Een beheerder bepaalt op locatieniveau welke kenmerken beschikbaar zijn. Elk kenmerk heeft keuzemogelijkheden. Ontwerpers koppelen die waarden daarna aan leerdoelen; actieve kenmerken kunnen ook als filter terugkomen.