Zo doe je dat

  1. Kies het niveau

    Selecteer de locatie, faculteit of opleiding en open Beheer, Toetsvormen. De titel toont voor welk niveau je werkt.

    Resultaat: Je ziet de toetsvormen die op dit niveau beschikbaar zijn.

  2. Activeer een vorm

    Gebruik de aan-uitknop bij een bestaande toetsvorm en bevestig. Uitgeschakelde vormen verdwijnen uit nieuwe keuzes op dit niveau.

    Resultaat: De statusindicator toont de nieuwe beschikbaarheid.

  3. Maak een eigen vorm

    Kies de locatie of faculteit. Kies Toevoegen, geef de vorm een naam en pictogram en vul eventueel de tweede taal in.

    Resultaat: De eigen toetsvorm staat in de lijst.

  4. Controleer in een toets

    Open een toets in Plan of Toetsplan en bekijk de keuzelijst. Verwijderen van een eigen vorm kan gekoppelde gegevens permanent verwijderen.

    Resultaat: De bedoelde vorm is selecteerbaar waar hij actief is.

Verschil tussen activeren en maken

Standaard en bestaande toetsvormen kun je activeren op het niveau van locatie, faculteit of opleiding. Nieuwe aangepaste toetsvormen maak je alleen op het niveau van locatie of faculteit.